Alles vederlicht nemen Jannie Regnerus

Op weg naar het atelier van Luuk Wilmering (1957) loop ik door een stadstuin waarin twee gemeentewerkers met veel omhaal een afvalemmer van een lantaarnpaal proberen te wrikken. Vooralsnog zonder succes. Wilmerings atelier grenst aan deze stadstuin. Op de blinde muur tegenover de deur van zijn atelier heeft hij in zwarte letters geschreven; 'Voortaan neem ik alles alleen nog vederlicht'. De spreuk zet de toon, je ziet in gedachten voor je hoe Wilmering dagelijks, bij het betreden en verlaten van het pand, zijn gemoed op de juiste golflengte probeert af te stemmen. In combinatie met het beeld van de zwetende gemeentewerkers, ontlokken die woorden me een glimlach. Het lichtvoetige voornemen hangt echter zwaar boven de grond en wil maar niet opstijgen. De letters zijn te dik, hoekig en lomp en bovendien gevangen op rode bakstenen.De tekst op de muur voert mij terug naar mijn kindertijd, naar de tafel van de schoolmeester waarop een boek klaarlag. Binnen een minuut moest je zoveel mogelijk woorden hardop voorlezen. De leraar klokte de tijd met een stopwatch. Vervolgens bladerde hij door naar een andere pagina en liet je in stilte een tekst lezen en stelde je daarna vragen over de inhoud. Het verschil tussen die twee, het enerzijds oppervlakkig registreren van woorden en anderzijds de betekenis ervan doorgronden, speelt in het oeuvre van Wilmering een belangrijke rol. Het meest actuele voorbeeld hiervan is de krant waaraan hij al een aantal jaren gestaag werkt. Overduidelijk gezet in NRC Handelsblad zetsel en lay-out heeft Wilmering er 'Heel Ander Blad' (2006-2008) van gemaakt met katernen als 'Binnenland/Vaderland', 'Buitenland/Moederland', 'Niemandsland', 'Kunst en Produkt' en mijn favoriete katern 'Pech'. Het is een persoonlijke krant geworden, zo figureert Wilmering af en toe zelf in de foto's in zijn krant en heet een columnist als Bas Heyne ineens Bas Wilmering. De rouwadvertenties in de krant betreffen de dood van een dierbare vriend. Met uiterst secuur en tijdrovend handwerk heeft Wilmering woorden en fragmenten van zinnen uit bestaande krantenberichten en koppen geknipt en er nieuwe tekst uit samengesteld. Met dezelfde precisie heeft hij die woorden en zinsdelen in Heel Ander Blad 'gezet'. Daardoor ogen de koppen professioneel; gangbaar en geloofwaardig. "Nog even wachten op alledaagse uitzichtloosheid". Of 'Mensen weten niet wat vertwijfeling met je doet". "Gift aan rechter in fraude-affaire volgens tarief'. Bij nadere beschouwing blijkt de optelsom van de woorden in zo'n kop nogal vreemd of politiek incorrect, de meeste zijn bovendien te emotioneel voor een krant. 'Tranen om je oude moeder'. Wilmerings krantenkoppen verwoorden chaos en twijfel, juist daardoor beklijven ze. Wilmering; 'De werken die ik maak hebben allen te maken met de manier waarop ik in het leven sta en met mijn betrokkenheid met de wereld: met de samenleving, met de natuur. Ik kan me geweldig opwinden over allerlei zaken: premies en bonussen, religieuze fanatici. Ik geloof niet in de maakbaarheid van persoonlijk succes, ik geloof wel in 'geluk hebben' en 'pech hebben', en in 'sluwheid' en 'domheid'. Daarnaast heb ik een ongelooflijke hekel aan dikdoenerij. In een samenleving die alleen maar lijkt te draaien om succesnummers, en waarin 'dat wat iemand kan' ondergeschikt is geworden aan 'hoe vaak ben je met je kop op t.v.', wordt mijn aandacht vooral getrokken naar diegenen die het niet redden. En wat me daarin keer op keer treft is de flinterdunne scheidslijn tussen succes en pech. Inmiddels ben ik vader van twee jonge kinderen en hun aanwezigheid heeft mijn leven totaal veranderd.' 'In hun grenzeloze nieuwsgierigheid vragen zij mij de oren van het hoofd, over allerlei kleine en grote gebeurtenissen. Ze willen weten hoe het eraan toe gaat in de wereld en wat ze ervan kunnen verwachten.' 'Wat moet ik ze vertellen?

Wilmerings fotocollages, gebundeld in het boek 'A Personal Geographic-De Werken van Barmhartigheid’ (2000-2005) kunnen als een antwoord op die vraag fungeren. Uit zijn vaders collectie oude National Geographics, die hem als zevenjarige jongen een eerste blik op de wereld boden, heeft Wilmering fotodetails gesneden en met deze losse onderdelen nieuwe foto’s samengesteld. De nauwkeurigheid waarmee Wilmering de maatvoering en het perspectief eert -net als het zetsel in zijn krant- maakt dat het nieuwe beeld er op het eerste oog geloofwaardig uitziet. Bijvoorbeeld de collage met het keurige gezelschap dat rond een lage tafel staat. Het jaren zestig tafereel doet denken aan een demonstratie van een broodrooster of stofzuiger, inclusief een man met een houten aanwijsstokje. In Wilmerings nieuwe realiteit staan op de tafel taarten uitgestald. Alles staat precies in de juiste verhouding tot elkaar, zoals de uitgestoken hand die naar een chocoladetaart reikt. Er is echter nog die andere opengesperde hand waarin een glibberige olifantenfoetus wordt aangeboden. In dit zo aangenaam ogende theekransje vormt het olifantje in wording een verontrustende aanwezigheid. Een andere collage toont een bewolkte strandscene met robben, en zeehonden. Tussen casual geklede strandgangers staan jongens en mannen die met knuppels op de dieren inslaan. Vanaf de waterlijn komt een wanhopig kijkende man aangelopen, hij draagt in zijn armen een dood kind. De personages in Wilmerings collages zijn het spoor bijster. Logisch, Wilmering heeft hen van hun oorspronkelijke context ontdaan en ze eigenhandig in een nieuwe geplaatst. Echter de door Wilmering gehusselde versies van realiteiten, doen meer recht aan de chaos in de wereld dan de gemiddelde persfoto.

Naast schilderijen, installaties, collages en de krant, maakt Wilmering ook multiples en fotoboeken. In die fotoboeken speelt zijn familie een grote rol. Tegen het vergeten in documenteerde Wilmering de verwondering van zijn opgroeiende dochters. Waar hun ooghoogte door de jaren in centimeters toeneemt, zakt Wilmering in tegengestelde beweging door de knieën om op gelijke hoogte te komen. In het fotoboek 'Ik zag je pas toen je groen was' (2004) zien we hoe een blonde kleuter haar handjes wast onder een druppende regenpijp, of hetzelfde meisje die een dwingende richtingspijl op de stoeptegels kalkt. In 'Sleutelgat' (2007) bewaart hij de sterfdag van zijn vader. Het boek heeft niet de gebruikelijke vorm maar is extreem smal en langwerpig. Het verhaal loopt in een oneindige regel over het midden van alle pagina's door, hier en daar geïllustreerd met kleine zwart-wit foto's van een gedateerd interieur. Wilmering zegt; ‘mensen menen vaak dat ik heel persoonlijk werk maak, maar ik ga ervan uit niet uniek te zijn’. En inderdaad, eigenlijk kan iedereen het kind in de foto zijn. Wilmering toont in die werken het collectieve geheugen van ieders kindertijd, een druppende regenpijp als kraantje en kastanjes als oogbollen. Moeiteloos kan eenieder een dergelijk scala aan zintuiglijke ervaringen oproepen; de rubbersmaak van het opblaaszwembadje, het kriebelende gevoel van een opkruipende korenaar onder je trui, hoe glibberig een kikker in je hand ook alweer aanvoelt.

Een andere reden waarom mensen vaak menen dat Wilmering heel persoonlijk werk maakt, is omdat hij zelf veelal in zijn werk figureert. Wilmering licht toe; 'Er zijn verscheidene overwegingen geweest die mij ertoe hebben gebracht mezelf als model te gebruiken. Ten eerste vond ik het een manier om mezelf op heel uitgesproken wijze te verbinden met de onderwerpen, in de zin van: zo denk ik hierover, dit is wat ik hiervan vind, dit is waar ik mij zorgen over maak. Dat vond ik belangrijk en ik heb gemerkt dat deze overweging overkomt. Een andere, heel praktische, reden was dat ik soms gezichtsuitdrukkingen of lichaamshoudingen nodig had waarvan ik zelf het beste wist hoe ik het wilde hebben. Wat echter ook meespeelt is dat ik mezelf in mijn werk meestal in een niet al te gunstige positie of situatie plaats, en ik zou niet graag iemand anders zo afbeelden. Ik beschouw mezelf niet als verheven boven de massa, integendeel, alle 'rottigheid' schuilt ook in mij. Vandaar dat ik mezelf ook weer in de krantenfoto's van Heel Ander Blad heb geplaatst: als deelnemer aan een situatie, als toeschouwer, als idioot, als man die alles kan.'

In de multiple ‘The story of my life' (2003) zien we Wilmering verveeld uit een openstaand raam staren, zijn zware hoofd door een hand gestut. Hij kijkt uit op een verkeersplein, in de diepte onder het raam wachten auto's voor stoplichten. De volgende afbeelding laat Wilmering zien die ineens is opgeveerd en uit het raam schreeuwt, met de hand aan de mond om zijn woorden kracht bij te zetten. Alsof hij zich ineens geroepen voelt zich met die wereld daaronder te bemoeien, er geestdriftig commentaar op te leveren. In het fotowerk 'True believer' (2001) is een gekaderd raam te zien met daarachter een man die in hemd en onderbroek een op sterven na dode kamerplant bewaterd. Op zich een niet heel verontrustend beeld, je zou het in je alledaagse leven zomaar kunnen tegenkomen. Hoe langer je ernaar kijkt, hoe meer vragen zich opdringen. De man in ondergoed wekt de indruk net te zijn opgestaan en nog voor hij zichzelf wast, aankleedt en ontbijt, schenkt hij eerst zijn plant bij. Een merkwaardige prioriteit, of is het bewateren van de plant zijn enige dagtaak? Wacht er aan de andere kant van het raam niemand op hem en hoeft hij behalve de plant niets in gang of in leven te houden? Wat houdt hem in leven, wie geeft de man levenswater?

De krantenkoppen uit 'Heel Ander Blad' zouden prima als onderschrift bij Wilmerings oudere fotowerken kunnen fungeren. Bij de foto waarop een man in ondergoed zijn plant bewaterd (True believer) past de kop 'Nog even wachten op alledaagse uitzichtloosheid'. En de foto waarin de man zich ineens geroepen voelt commentaar te leveren op de stadse bedrijvigheid onder zijn raam ('The story of my life) kan de kop; De buitenwereld is ineens de regie kwijt'. Als je zou willen spreken van een rode draad in Wilmerings oeuvre, dan moet dat compassie zijn. Compassie met de mens die zich tegen beter weten in voorneemt voortaan vederlicht te leven.


Jannie Regnerus, 2008